Bovenbalk

kanker

Kankerkampioenschap voor junioren – Een plus een is drie

“Kanker heb je nooit alleen.” Het verhaal van Max bij wie op 15-jarige leeftijd een ernstige vorm van lymfeklierkanker wordt ontdekt, omvat ook de reacties daarop van zijn omgeving. Centraal staat de strijd van Max, waarvan bij voorbaat vaststaat dat hij die gaat winnen. De omslagtekst ‘verraadt’ namelijk dat Max in werkelijkheid Roy heet. Bij de verschijning van het boek is hij twintig jaar, de jongste ambassadeur van KiKa en studeert hij geneeskunde om oncoloog te worden. Dat doet aan de impact van zijn verhaal niets af, integendeel.

Edward van de Vendel schreef het verhaal van Max in nauwe samenwerking met de hoofdpersoon, zoals hij eerder deed met De Gelukvinder, het eerste deel uit de Slash-reeks. Een moreel dilemma bij het schrijven van zo’n persoonlijk verhaal is de vraag hoe je degenen die bij het leven van de hoofdpersoon betrokken zijn, een plek geeft. Niet iedereen zit erop te wachten dat zijn of haar aandeel in het openbaar komt. Om de mensen uit Roy’s omgeving te beschermen, zijn de meeste namen in het verhaal veranderd, inclusief die van hemzelf. De zorgvuldigheid waarmee Van de Vendel vervolgens het leven van de ouders, de broertjes en de vriendenkring van Roy/Max een plek heeft weten te geven, maakt het verhaal bijzonder.

Over de broertjes komen we niet veel meer te weten dan dat ze vijf jaar jonger zijn en dat Max weinig met hen gemeen heeft. “Ze lezen dikke boeken en ze tennissen – ik kijk films en zit op voetbal.” In één zin een wereld van verschil. Max staat erop zelf het slechte nieuws aan hen te vertellen. Hun reacties zijn relativerend. De een vraagt of het besmettelijk is, de ander of de vakantie nog wel doorgaat. “En dat was zo heerlijk. Het leven was dus toch nog normaal.” Het is uiteindelijk de blik op zijn slapende broertjes die Max ertoe aanzet om wanneer alles achter de rug is, zijn verhaal te (laten) opschrijven.

Ook de omgang van Max met zijn voetbalvrienden, die hem trouw wekelijks bezoeken met alle bijbehorende puberflauwekul is relativerend. “Ze vroegen niks, ze waren niet geïnteresseerd in de ziekenhuisdetails. Maar intussen hielden ze alles wat normaal was gaande.” De weergave van hun onderlinge gesprekken heeft een humoristisch effect temidden van alle ellende.Hoe groot die ellende is, blijkt uit de vele details, zoals de gevolgen van een chemokuur, waarvan een deel van a tot z wordt beschreven. En dat is nog maar het begin.

Ondanks de stoere vechthouding die Max van het begin af aanneemt, kent hij zijn zwakke momenten. Daar weidt hij niet over uit. “Hoe ik me ’s avonds voelde, daar hebben we het nu niet over. Ga ik ook niet de hele tijd opschrijven. Als je het echt wil weten: vraag maar aan mijn moeder.”

Hoe groot de rol van zijn moeder is geweest, blijkt weer uit details, zoals de opdracht voorin het boek. Ze treedt nergens op de voorgrond, maar ze is er altijd. Veelzeggend is haar reactie wanneer Max tegen alle rede in met zijn vrienden tijdens de tweede chemo-cyclus naar de jaarlijkse feestweek in het naburige stadje gaat. Max keert vroegtijdig terug naar huis. Bij thuiskomst ontspint zich de volgende dialoog tussen Max en zijn moeder. “ ‘Je had gelijk,’ zei ik. ‘Dit was een rare zet.’ ‘O,’ zei ze. ‘Ik wou het zo graag.’ ‘Dat snap ik toch,’ zei ze. ‘Grenzen opzoeken,’ zei ik. ‘Ja,’ zei ze. ‘Leermomentje.’” De betekenis van Max’ vader bestaat vooral uit diens zwijgzaamheid. “(…) praten is niet mijn vaders sterkste kant, maar soms is juist dat niet-praten zijn sterkste kant.”

Behalve de inhoud is ook de vorm bijzonder. Naast het – grotendeels chronologisch vertelde – verhaal in een ik-perspectief bevat de roman cursief gedrukte dagboekpassages, waarin Max de lezer rechtstreeks aanspreekt. Tussendoor geeft de ‘ik’ in kleine lettertjes regelmatig een korte toelichting op de gebeurtenissen. “Wat een gedoe! Je schrijft een klein stukje en je moet meteen van alles uitleggen.” Het jaar dat verloopt nadat Max genezen is verklaard, waarin alles en iedereen terugkeert naar ‘normaal’ bestaat uit drie van deze ‘terzijdes’ verdeeld over de seizoenen zomer, herfst en winter. De daaropvolgende lente begint met alleen het woordje “Tja”, gevolgd door drie volledig witte pagina’s. Deze vorm maakt duidelijk dat Max de nodige weerstand heeft moeten overwinnen om wat hij zijn ‘tweede ziekte’ noemt, publiekelijk te maken. Max krijgt paniekaanvallen en vreest alsnog dood te gaan.

Het taalgebruik is rechtstreeks, wat past bij een jongen als Max. In sommige passages krijgt de literator in Van de Vendel de overhand. Bijvoorbeeld wanneer Max, wanhopig door een onverklaarbare en ondraaglijke pijn in zijn mond, ’s nachts alleen in de woonkamer zit en iedereen slaapt: “De maan had elk geluid uit de wereld weggenomen en er mager licht voor in de plaats gelegd.” De roman laat de rauwe werkelijkheid zien van een puber die wordt geconfronteerd met een dodelijke ziekte. Tegelijkertijd wordt de onmacht van de direct betrokkenen zichtbaar. Het geeft daarnaast weer hoe belangrijk het is om ‘normaal’ te doen. Ook zonder directe betrokkenheid in een vergelijkbare situatie grijpen de indringende en onopgesmukte details je als lezer herhaaldelijk naar de strot. De ziektegeschiedenis van Max en het schrijftalent van Edward vormen een geheel dat veel méér is dan een optelsom van die twee afzonderlijke delen.

Edward van de Vendel en Roy Looman

Querido, 2015

Reacties gesloten.