Bovenbalk

negen kamers

De negen kamers – Magisch-realistische zoektocht: wie ben ik?

Peter-Paul Rauwerda kent zijn klassiekers, wat blijkt uit de magisch-realistische zoektocht in De negen kamers, zijn eerste adolescentenroman. Rauwerda heeft zijn sporen verdiend als illustrator van jeugdboeken, ondermeer van Guus Kuijer en Rob Ruggenberg. In De negen kamers beperkt hij zich tot woorden met uitzondering van het intrigerende omslagbeeld. Illustraties bij een voorloper van dit boek zijn te bekijken op zijn persoonlijke website.

Een geheimzinnig gedicht over negen kamers vormt de introductie. Uit de inhoudsopgave blijkt om welke negen kamers het gaat. In het eerste deel, ‘Het fundament,’ duikt plotseling een huis op aan de Kastanjelaan, waaraan de zeventienjarige hoofdpersoon Jonas woont. Dit deel kon mij niet onmiddellijk boeien. Jonas lijkt uiterlijk jonger dan hij is en gedraagt zich ook zo. Diepzinnige gedachten staan tegenover kinderlijk aandoende passages uit een mysterieus boek. Pas bij herlezing viel de inleiding op zijn plek en kon ik die meer waarderen.

Het tweede deel, ‘Het huis,’ trok me in het verhaal, zoals Jonas wordt meegesleurd in een onafwendbaar avontuur. ‘Maak dit boek open en je leven zal voorgoed veranderen.’ Het hoofdstuk ‘Scéne uit een huwelijk’ is weergaloos in al zijn eenvoud. Een dik, zwart boek geeft gaandeweg zijn geheimen prijs aan Jonas, die daardoor steeds dieper doordringt in het huis én daardoor ook in zichzelf. In het huis woont de beeldschone Anna. Is zij Jonas’ redder in nood, of brengt ze hem juist in de problemen?

Jonas lijdt aan ondraaglijke hoofdpijn. Er zijn aanwijzingen dat hij een riskante hersenoperatie ondergaat, maar hoe dat precies zit, blijft in het midden. Dat is de kracht van dit verhaal, waarin de verbeelding centraal staat. ‘Met verbeelding kun je uit iedere situatie, hoe ellendig ook ontsnappen.’ Diverse verhalen uit de wereldliteratuur vullen de belevenissen van Jonas aan, zoals een symbolische bewerking van De Rattenvanger van Hamelen en een uitgebreide verwijzing naar De Kersentuin van Tsjechov. Een belangrijke rol is weggelegd voor de Nederlandse poëzie met een grappige persiflage op de Vijftigers en een speelse variant op Nijhoffs’ Denkend aan Holland.

De verhalen van de bijzondere mensen die Jonas op zijn avontuur tegenkomt, bevatten boeiende levenslessen en filosofische uitspraken. ‘Je moet eerst van huis zijn weggeweest om thuis te kunnen komen.’ De maffe bibliothecarissen Edo en Ode roepen intrigerende vragen op. Zijn De avonden, Het proces, Max Havelaar, Een portret van de kunstenaar als jongeman nonsens? Of bieden ze juist een uitweg in moeilijke tijden? Vragen die de literatuurlessen in het voortgezet onderwijs spannend kunnen maken.

De vele intertekstuele verwijzingen verbinden de zoektocht van Jonas, én die van de lezer, naar de kernvraag van het menselijk bestaan: ‘wie ben ik?’ De vraag wat werkelijkheid is en wat waan, loopt als een rode draad door het verhaal. Aan het einde van de roman had er meer te raden mogen blijven om de vergelijking met Carlos Ruiz Zafón en Gabriel Garcia Márquez die op boekomslag wordt gemaakt, te kunnen doorstaan. Als opstapje naar het werk van deze beroemde schrijvers is De negen kamers een fascinerend debuut dat er mag zijn.

Peter-Paul Rauwerda

Lemniscaat, 2016

Reacties gesloten.